Persbericht - Marc Sleen Stichting

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down

Persbericht - Marc Sleen Stichting

Bericht van Admin op za 8 maa 2008 - 12:44

Persbericht Minister Guy Vanhengel

Brussels pand voor patrimonium Marc Sleen


Het stripfiguurtje Nero wordt vereeuwigd in Brussel. De Stichting Sleen kon een pand verwerven om het levenswerk van Marc Sleen te bewaren en permanent aan het publiek te tonen. In het huis, gelegen in de Zandstraat 33, is Nero geboren. Vanaf 1947 creëerde Marc Sleen er de eerste tekeningen van zijn emblematisch figuurtje voor de intussen ter ziele gegane krant, de Nieuwe Gids.

De droom van Sleen om zijn immense collectie tekeningen voor het nageslacht te bewaren, te ordenen en tentoon te stellen is mede mogelijk gemaakt door een eenmalige subsidie van het Brussels Gewest.
“Het is immers een schitterende prélude voor het themajaar van het Brussels Gewest, dat in 2009 in het teken zal staan van het beeldverhaal”, zegt Brussels minister Guy Vanhengel, bevoegd voor het imago van het Brussels Gewest, “Marc Sleen is een klassieker in de stripwereld, net als Hergé. Bovendien speelt het tweetalige Brussel in zijn verhalen een cruciale rol”.

“Als kind heb ik de stripverhalen van Sleen verslonden”, vertelt Vanhengel. “Nog altijd ben ik een freak. Want Sleen geeft zodanig veel allusies op de actualiteit, dat zijn verhalen ook grappig zijn en blijven voor volwassenen”.

Zo steekt hij in de Hemelse Vrede een schitterende knipoog naar René Magritte. Madame Pheip, staat met haar onafscheidelijk rookpluim in haar salon te fulmineren, met op de achtergrond een schilderij van een pijp met daaronder “Ceci n'est pas une Pipe” en daarnaast een tweede schilderij, met “Ceci non plus”. Intussen zit mijnheer Pheip, een Franstalige Brusselaar die Vlaams spreek doorspekt met Franse woorden, te lezen in Le Capitaliste Illustré .

In de Wraak van Nanga duikt het hoofd van Mobutu plots op in een paleis, bestaande uit vaten kernafval: een duidelijke hint over het dumpen van afval in de derde wereld. “Kortom aan de hand van zijn getekende vertelselkes leren we nog iets over onze eigen geschiedenis: de politieke, maatschappelijke, culturele en niet te vergeten sportgeschiedenis”, aldus Vanhengel.

Het kostte dus niet veel moeite om de collega's in de Brusselse regering te overtuigen om het patrimonium van dit icoon van het Belgisch stripverhaal niet verloren te laten gaan”.
Net voor de krokusvakantie is eenmalig bedrag van 725.000 EUR goedgekeurd, als bijdrage voor de voorbereiding van het stripjaar 2009, waarvan de opening van het Sleen Huis niet alleen een bekroning zal zijn van het levenswerk van Sleen, maar meteen één van de hoogtepunten van het Brusselse themajaar van het Beeldverhaal.

De aankoop van het deel van het huis in de Zandstraat is overigens ook een uitstekende zaak voor het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal. Deze unieke Belgische tempel van het stripverhaal, één van de meest bezochte Brusselse musea, krijgt er met deze uitbreiding dus nog een attractie van formaat bij.



Het huis zal dus nog meer bezoekers naar de Zandstraat draineren, die misschien ooit uitgroeit tot de straat van het beeldverhaal. Voor de wijk in verval geraakte, was dit hier de Fleet Street van Brussel. Alle belangrijke kranten uit die tijd hadden hier hun vaste stek, niet alleen de Nieuwe Gids, maar ook Le Peuple, La Cité, Het Nieuws van de Dag. Op een boogscheut hiervandaan bevindt zich Le Soir en ietsje verder, in de andere richting waren ook Het Laatste Nieuws en La Dernière Heure gevestigd.


Tot slot nog dit: er is een Stichting Sleen opgericht die het pand, de collectie en de postume auteursrechten van de tekenaar beheert. De raad van bestuur van de Stichting moet nog worden samengesteld, maar zal zeker vertegenwoordigers tellen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal, de Standaard Uitgeverij als uitgever van Nero, de krant De Standaard en tenslotte een vertegenwoordiger van Marc Sleen zelf.

Minister Guy Vanhengel



© BCB / Didier Geirnaert




Persbericht Van het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal

Marc Sleen keert terug naar de Zandstraat


Na een lange zoektocht naar de beste locatie en formule krijgt het oeuvre van Marc Sleen, een icoon van de Belgische stripkunst, nu officieel een nieuwe thuis in de Zandstraat in Brussel. Recht tegenover het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal zal het gelijkvloers van de voormalige Presse Socialiste worden ingericht als archief en uitstalraam voor deze grootmeester van de Negende Kunst. Daartoe richten vier partijen de Stichting Marc Sleen op: Marc Sleen zelf, het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigd door Minister Guy Vanhengel, en Standaard Uitgeverij.

De keuze voor een pand in de Zandstraat is allesbehalve toevallig. Precies op deze plaats zag zijn Sleens bekendste geesteskind Nero in 1947 het levenslicht, in de periode dat Marc Sleen er als tekenaar en illustrator aan de slag was bij de krant “De Nieuwe Gids”. Over de opening van het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal aan de overkant van de straat jaren later, liet een ontroerde Sleen zich in een interview ontvallen dat hij “nooit had durven dromen dat hij op een dag in 1989 met Nero zou verhuizen naar de overkant van de straat… naar het museum.” Dat de Stichting Marc Sleen zich nu kan vestigen op de plaats waar Nero geboren werd (in het gebouw ernaast), geldt voor de meester als een symbolische thuiskomst, én als een ultiem eerbetoon voor deze reus van het Belgische stripverhaal.

In de Zandstraat wordt in de eerste plaats een archief van originelen gehuisvest. Zo wordt het oeuvre van de meest productieve striptekenaar ter wereld (dixit The Guiness Book of Records) voor altijd veilig gesteld. De Stichting wil echter niet alleen achterom kijken en bewaren, maar Sleen ook bekend maken bij een breder publiek. Jaarlijks passeren 260.000 bezoekers van het vlakbij gelegen stripmuseum door de Zandstraat. Door Sleen hier een aparte plek te geven, krijgt zijn oeuvre de bijzondere zichtbaarheid die het verdient.

Ook voor de strip in Brussel is de oprichting van de Stichting Marc Sleen een historische stap voorwaarts. Voor het eerst krijgt een Belgische stripauteur een archief dankzij tussenkomst van de regering. Dat dit in Brussel mogelijk is, toont nog maar eens dat in onze hoofdstad, op alle niveaus van de samenleving, een hart voor de Negende Kunst klopt.

BCB




BIOGRAFIE VAN MARCEL NEELS


Marc Sleen werd als Marcel Honoree Nestor Neels geboren in Gentbrugge op 30 december 1922. Marc volgde een tekenopleiding aan het Sint-Lucasinstituut in Gent. In 1944 kwam hij in dienst bij de krant De Standaard als politieke karikaturist.
Zijn eerste strip was de stopcomic De avonturen van Neus. Op 10 juni 1945 startte De avonturen van Tom en Tony in Ons Volkske. Na twee verhalen nemen Stropke en Flopke de fakkel over. Sleen waagde zich ondertussen ook aan pantomimestrips, gagstrips zonder woorden: Pollopof (1946), Joke-Poke (1950) en Doris Dobbel (1950).
Tussen 1952 en 1965 maakte Sleen de strip Oktaaf Keunink. Oktaaf is een doodbrave man, die volledig gedomineerd wordt door zijn vrouw. Van Oktaaf Keunink verschenen ongeveer 600 grappen en vijf albums.
De lustige kapoentjes is één van de populairste stripreeksen in Vlaanderen geweest. Van 1950 tot 1965 verzorgde Sleen met veel succes de wekelijkse afleveringen. De lustige kapoentjes, waarvan er 10 albums verschenen bij Het Volk, was duidelijk op een jong publiek gericht.
Ook erg populair was Piet Fluwijn en Bolleke, waarvan eveneens 10 strips uitgebracht werden, tussen 1957 en 1965. Deze kinderstrip bouwde Sleen op rond een eenvoudige vader-zoonrelatie, waarbij de goedzakkige vader dikwijls moet boeten voor de schelmenstreken van zijn zoon.
Sleens bekendste stripreeks is vanzelfsprekend De avonturen van Nero en co. Toen Sleen in 1947 met de reeks startte in De Nieuwe Gids, heette het hoofdpersonage Van Zwam. Nero kwam al voor in het eerste verhaal, Het geheim van Matsuoka, maar had slechts een kleine rol. Na drie verhalen nam Nero de fakkel over van Van Zwam en sindsdien produceerde Sleen meer dan 200 Nero-verhalen. Het 200 ste verhaal, De blauwe broertjes verscheen op 5 mei 1999. De hoofdpersonages in Nero getuigen van Sleens buitengewone fantasie en mensenkennis.
De overstap van Sleen van Het Volk naar de krantengroep De Standaard in april 1965 veroorzaakte een ware krantenoorlog.
Marc Sleen staat in het Guinness Book of Records, omdat hij meer dan 200 verhalen van Nero bijna helemaal alleen maakte. De laatste jaren kreeg hij de steun van tekenaar Dirk Stallaert.
Sleen kreeg voor zijn stripwerk een groot aantal onderscheidingen.
Voor Het Lachvirus ontving hij in 1974 de prestigieuze Prix Saint-Michel. In 1993 kreeg Sleen een buitengewone Stripgidsprijs als waardering voor zijn hele stripcarrière: een Gouden Adhemar. In 1995 ontving hij vanwege de Belgische kamer van stripexperten de prijs voor het beste stripverhaal van 1994 voor zijn How-trilogie.
In augustus 1998 werd Marc Sleen door koning Albert II in de adelstand verheven. In de loop van 1999 werd hij door de koning tot ridder geslagen.
Sleen is ook bekend als Afrika-kenner. Hij ging ontelbare keren op safari. In Afrika kon hij zijn grote passie voor de natuur, en speciaal voor de olifant, uitleven. Hij schreef een aantal safari-boeken. Daarnaast maakte hij documentaires voor het tv-programma Allemaal Beestjes. Sinds 1984 is hij beheerder van het Wereldnatuurfonds in België.
In 2003 nam hij op 80-jarige leeftijd afscheid van het dagbladfenomeen Nero. Het laatste album werd Zilveren tranen.

Standaard Uitgeverij


BCB, een interview met Marc Sleen (J.A., 1990)



De geboorte van Nero in de Zandstraat

Voor de buurt van de Zandstraat in verval raakte, tot de opening van het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal was deze wijk het kloppend hart van de Belgische pers. Veel Franstalige en Vlaamse kranten lieten hier dag en nacht hun persen rollen. Marc Sleen maakte deel uit van deze ploeg.


J.A. – U heeft dus het warenhuis Waucquez en de Zandstraat destijds goed gekend ?

Ik kwam er elke dag van 1946 tot 1950. De deuren van het warenhuis Waucquez stonden steeds open, winter en zomer. Er werden onophoudelijk balen stof binnen- of buitengedragen. Ik vond dat die stoffen er altijd bruin uitzagen, nooit gekleurd.

- Voor welke krant werkte u toen ?

Ik debuteerde in «De Standaard», eind 1944 (ik kwam net uit een concentratiekamp). Ik tekende er politieke karikaturen en nog vele andere zaken : kaarten, grafieken, enz. De directie van de krant zat gevangen. Een beetje « verbrand ». Dat heeft zo drie maanden geduurd. Toen hebben we met een nieuwe ploeg « De Nieuwe Standaard » opgericht die al snel « De Nieuwe Gids » werd.

- En van de Jacqmainlaan verhuisden jullie naar…de Zandstraat ?

In 1946. Naar een gebouw dat er nu niet meer staat, waar nu de drukkerij Sofadi is. Van mijn bureau, naast de fotogravure, zag ik de vensters van Waucquez. Daar heb ik mijn eerste echte strips getekend. Naast al het overige dat men mij vroeg : karikaturen, illustraties…voor John Flanders bijvoorbeeld.

- Bedoelt u Jean Ray ?

Hij kwam verhalen brengen voor « ‘t Kapoentje », een kinderbijlage. Dat leverde hem 500 frank op. Ik heb hem steeds straalbezopen geweten. Op de redactie vertelde hij over de meest buitengewone reizen die hij gemaakt had : hij had op boten gewoond, de wereld rondgevaren, … Aan mij, als mede-Gentenaar, vertelde hij dan wel dat hij het allemaal verzonnen had en dat hij eigenlijk nooit in het buitenland was geweest.


- En Nero ?

Nero is in 1947 ontstaan, net tegenover het huidige BCB. Hij trad op in het tweede album van Detective Van Zwam. Van Zwam komt in een gekkenhuis. Daar vraagt hij aan iemand met laurierblaadjes achter zijn oren, wie hij is… Ik ben Nero, keizer van Rome. De lezers schreven me dat die zot veel sympathieker was dan mijn detective. En zo is Nero de held geworden.

- Hoe bent u bij dat personage gekomen ?

‘n Tijdje voor hij stierf zei Jan De Spot, een van de bazen van de Belgische Financiën : Nero, dat ben ik … Dat moet je maar durven : Nero is lelijk en dom ! Maar hij had gelijk, ik had me een beetje op zijn uiterlijk geïnspireerd…In die tijd schreef Jan De Spot een rubriekje dat ik illustreerde. Toen we met « De Nieuwe Gids » begonnen, was onze ambitie de grootste naoorlogse krant te worden. We trokken een hele generatie talentrijke jongeren aan : Jan De Spot, maar ook de latere minister Van Elslande, Marnix Gysen, Gaston Durnez, enz.

- Een mooi stel namen !

Dat is niet alles. Ik deed het traject Gent-Brussel elke dag met mijn hoofdredacteur Pol De Rijke en een jonge advocaat…Theo Lefebvre, de latere eerste minister. We maakten de hele tijd plezier. Dat gaf me veel inspiratie voor mijn verhalen. Het is ooit nog gebeurd dat iemand in hetzelfde treincompartiment mijn strip in de krant zat te lezen en dat ik hem zei : « Weet je wel dat Marc Sleen voor je zit ? »…terwijl ik wees naar Theo Lefebvre !

- Bleef u lang bij « De Nieuwe Gids » ?

Tot 1950. Toen ging ik naar « Het Volk ». Tot 1965. « De Nieuwe Gids » heeft lang naar een tekenaar gezocht om mij te vervangen… Zelfs Octave Landuyt heeft zich toen nog kandidaat gesteld. Hij vond dat tekenaars beter betaald werden dan schilders ! Je moet erbij vertellen dat nu geen doek meer van hem te koop is beneden een miljoen frank.

- En had hij talent voor strips ?

Hij ging met zijn platen bij mevrouw Dupla, de directrice van de krant « Het Nieuws van de Dag », nog steeds in dezelfde straat. Ze nam haar rood potlood en begon aan te duiden wat allemaal fout zat : borsten te groot, rokje te kort, enz. Landuyt zette zich recht en zei : Ja, mevrouw. U kunt er op rekenen… Hij heeft nooit geen strips meer gemaakt, want hij verdroeg geen kritiek !

- En bij « Het Volk » tekende u alleen strips ?

Helemaal niet ! Ik publiceerde in de hele christen-democratische pers, Vlaams en Franstalig : « Het Volk », « De Volksmacht », « La Cité », « Samedi-Jeunesse » en zelfs in Leopoldstad, in « Le courrier d’Afrique ». En ik ging door met karikaturen…Voor de Ronde van Frankrijk bv.


- Volgde u die ?

In de periode van « De Nieuwe Gids » heb ik het meerdere keren gedaan. Maar dat was gekkenwerk : je moest al rijdende tekenen, je tekening afmaken bij de aankomststreep, alles razendsnel en nadat je teveel gedronken had, want het was er heet. In de vijftiger jaren bleef ik de Ronde illustreren…maar dan vanop mijn kantoor, thuis. Ik luisterde naar de radio en bij de aankomst werkte ik mijn tekening af. Een motorrijder bracht die naar de Zandstraat, naar « La Cité ». Daar werd een cliché gemaakt en dezelfde motorrijder bracht dat naar Gent, bij « Het Volk ». Die kerel reed zonder helm aan een halsbrekende snelheid. Daarvoor kreeg hij 500 frank, ik…kreeg er 450 ! Een andere trouwe bezoeker van de Zandstraat was Séverin de Meersman, de koning van de garnaal. Ik heb een jaar de Ronde vanuit zijn wagen kunnen volgen, een grote witte, Amerikaanse slee. Hij was steeds vergezeld van een catcher die voor chauffeur speelde. ‘s Avonds wanneer De Meersman de champagne te duur vond, vroeg hij aan zijn catcher tussenbeide te komen. Die zei dan : « Nee, mevrouw, we betalen niet ». Gewoonlijk was dat voldoende ! Door al die herinneringen denk ik nu terug aan de tijd dat ik 22 was, wanneer ik in de Zandstraat kom. Ik had nooit durven denken dat ik op een dag in 1989 met Nero zou verhuizen naar de overkant van de straat…naar het museum.

Interview : BCB, Jean Auquier, 1990
avatar
Admin
Admin
Admin

Aantal berichten : 559
Leeftijd : 51
Registration date : 26-01-08

Profiel bekijken http://www.wimswerts.be

Terug naar boven Go down

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven


 
Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum